Wat zijn de klimaatprestaties van biologische melkvee- en akkerbouwbedrijven?

Voor de hele bio-sector een belangrijke vraag: hoe kan klimaatvriendelijke landbouw op een duurzame manier worden beloond zodat de transitie naar een duurzamer landbouwsysteem mogelijk wordt? De pilot van het LBI heeft als doel om de klimaatprestaties van vijf biologische akkerbouw- en melkveebedrijven in kaart te brengen. Daarnaast is het doel om drie geschikte klimaatmaatregelen te ontwikkelen die zijn getoetst op haalbaarheid doormiddel van een kosten-batenanalyse. De inzichten opgedaan in dit onderzoek worden meegenomen in het eindproduct: het 'Ketenplan Klimaat voor de biologische keten'. Middels dit plan wordt er gewerkt aan een verdienmodel voor klimaatvriendelijke landbouw.
Er zijn geen gangbare bedrijven in dit onderzoek meegenomen als referentie, dit is wel een aanbeveling van de onderzoekers.
Akkerbouw
Samen met vijf biologische akkerbouwers op zeeklei is er gezocht naar mogelijkheden om de klimaatimpact te verkleinen. Daarvoor moeten eerst de klimaatprestaties in kaart gebracht worden. Voor de akkerbouw is de rekentool Cool Farm Tool gebruikt, deze maakt de klimaatlasten (CO2-equivalenten) inzichtelijk. De CO2-vastlegging in de bodem is in kaart gebracht met het de Praktijktool BodemCoolstof.
Gewasresten, bemesting en mechanisatie meest bepalend voor uitstoot
Vier van de vijf pilotbedrijven scoren negatief op de CO2-footprint. Dit betekent dat er meer CO2 wordt vastgelegd in de bodem, dan dat er CO2-equivalenten worden uitgestoten. De grootste klimaatlasten bij de onderzochte bedrijven worden bepaald door wat wetenschappers noemen ‘de indicatoren’: gewasresten, bemesting en mechanisatie. De inrichting en de intensiteit van het bouwplan blijken het meest bepalend bij deze drie belastende indicatoren. Inzet van groenbemesters, gebruik van compost en het verruimen van het bouwplan bevordert CO2-vastlegging in de bodem en vermindert hiermee de CO2-footprint.
Veel onduidelijk over de financiële winst van klimaatmaatregelen
De vijf deelnemers geven in het onderzoek aan onzeker te zijn over de rendabiliteit van compost. Hoewel compost een kostbare investering is, zijn de financiële voordelen van verbeterde bodemstructuur, de nutrientenvoorziening en de vermindering van plagen en ziekten onduidelijk. Uit het onderzoek blijkt dat het verruimen van het bouwplan vaak als minder rendabel wordt ervaren. Het verdienmodel van inzetten van rustgewassen moet breder worden ondersteund, zowel door overheid als de hele keten. Voor groenbemesters geldt dat de ondernemers vaak niet weten of deze economisch redabel zijn. De kosten zijn bekend, maar de baten (organische stof, stikstoflevering en onkruidonderdrukking) zijn onbekend. Ditzelfde geldt voor de financiële baten van gereduceerde grondbewerking.
Ook kwam als een conclusie uit het onderzoek naar voren dat er behoefte is aan een tool die een betrouwbaar en volledig beeld van de CO2-footprint van een akkerbouwbedrijf geeft. Voor de berekening van de CO2-footprint is in dit onderzoek de uitstoot van CO₂-equivalenten berekend op basis van het totale dieselverbruik (liters per hectare per jaar). Andere vormen van energieverbruik, zoals elektriciteit, zijn daarbij niet meegenomen. Dit kan worden gerealiseerd door de tools (Praktijktool BodemCoolstof en Cool Farm Tool) te integreren tot één tool, waarmee de CO2-footprint van een akkerbouwbedrijf nauwkeurig kan worden bepaald.
Melkveehouderij
Ook bij de melkveehouderij is er een bedrijfsspecifieke aanpak gekozen. Vijf melkveehouders op veengrond deden mee aan dit onderzoek. De Kringloopwijzer (KLW), ontwikkeld door Wageningen Universiteit & Resarch (WUR) is gebruikt als rekentool. Om de bedrijven met elkaar te vergelijken zijn er verschillende indicatoren gekozen. De belangrijkste is de CO2-emissie per FPCM (Fat Protein Corrected Milk). Hier worden de CO2 en CO2-equivalenten gedeeld door de totale productie van het bedrijf. Stikstofbodemoverschot, ammoniakemissie per hectare, ammoniakemissie per grootvee-eenheid (gve), eiwit van eigen land en het aandeel blijvend grasland behoren ook tot het onderzoek.
Beperkte reductiemogelijkheden op veen
De onderzoekers concludeerden dat de emissiebeperkende maatregelen op het veen beperkt effect hadden. De grootste bron van broeikaskassen op veen zijn gerelateerd aan bodem, voederwinning en pensfermentatie van koeien. Deze drie factoren kunnen door boeren op het veen beperkt worden geoptimaliseerd.
De onderzoekers leggen uit: voor de voederwinning zijn over het algemeen veel hectares in gebruik met een relatief lage opbrengst. Door de vaak relatief lage voederwaarde komt er ook vrij veel methaan vrij bij de pensfermentatie. Dit is het gevolg van de lagere bemesting (geen kunstmest) en beperkingen vanuit natuurbeheerpakketten die bijvoorbeeld vroeg en frequent maaien niet toestaan. Dit wordt op biologische bedrijven vaak gecompenseerd door veel te weiden, zodat de koeien veel vers gras met een hoge voederwaarde binnenkrijgen. Veel weidegang is echter niet per definitie positief voor de klimaatimpact volgens de KLW.
Per hectare meer klimaatwinst
Kijkt men naar de emissies per kilogram melk, dan worden op veen relatief veel broeikasgassen uitgestoten door biologische boeren. Als de emissies worden berekend aan de hand van hectares, tonen de onderzoekers aan dat de emissie van broeikasgassen bij bio bedrijven wel lager is. Deze benadering doet meer recht aan de visie en de productiewijze van de biologische sector. De onderzoekers stellen dan ook: ‘De uitdaging voor de biosector ligt erin om hun uitstoot per hectare weer te geven en om de focus te leggen op de andere ecosysteemdiensten die ze leveren rond bodem-, water- en luchtkwaliteit. Op die gebieden scoort de biologische sector namelijk beter dan de gangbare. De biologische sector heeft daarnaast een heel andere filosofie, niet zoveel mogelijk produceren met de hoogste efficiëntie, maar een positieve impact proberen te maken met wat er wel geproduceerd wordt.'
Passende klimaatmaatregelen
Op alle bedrijven is het aandeel broeikasgassen door pensfermentatie het grootst. Hier is dus de grootste winst te behalen, maar ook een lastige maatregel voor veel biologische melkveehouders. Veel van hen hebben natuurbeheerpakketten met uitgestelde maaidatum, wat de kwaliteit van het voer niet ten goede komt. In het onderzoek is met iedere deelnemer overlegd welke maatregelen passen bij de bedrijfsvoering. Denk bijvoorbeeld aan een potstal voor jongvee en droge koeien, zonnepanelen, minder jongvee per 10 melkkoeien, meer vers gras in het rantsoen, extensiveren, productie verhogen per koe, agroforestry. Sommige van deze maatregelen hebben een zeer kleine klimaatimpact. In het onderzoek worden de kosten en baten per maatregel weergegeven, deze zijn echter erg bedrijfsafhankelijk en voeren te ver voor dit artikel. Lees het volledige onderzoek hier.